Overslaan en naar de inhoud gaan

Varianten in regieorganisaties

In de praktijk komen verschillende varianten voor van het regie-productieconcept. In het figuur zijn verschillende modellen schematisch weergegeven.

Figuur Verschillende manieren om regie-productie in te vullen


Er zijn organisaties die gezamenlijk een shared service-organisatie oprichten en daarbinnen de productie opnemen. De afzonderlijke organisaties zijn dan klant bij deze shared service-organisatie. Die maakt op haar beurt de afspraken met de leveranciers (variant 1).

In een tweede variant scheidt de organisatie de regietaken van de productietaken. Een deel van de productietaken wordt in een afzonderlijke unit binnen de eigen organisatie verricht. Een deel wordt uitbesteed. De facilitaire organisatie heeft zich gesplitst in een regie-organisatie en productieclusters. De productieclusters worden op dit moment uitbesteed aan verschillende leveranciers. Een deel wordt (nog) zelf uitgevoerd.

Een derde variant is de organisatie die al haar productietaken uitbesteedt aan externen en zelf de regie behoudt (a). Dit model wordt door grotere organisaties vaak gekozen als opmaat voor een totale uitbesteding waarbij het facilitair management wordt ondergebracht in een management-aanbieder waarbij de productie over het algemeen is onder aanbesteed aan subcontractors (b).

Over de voor- en nadelen bestaan verschillende meningen en er zijn diverse voorkeuren. Voor grotere organisaties die het facilitair management hoofdzakelijk zien als kostenpost en voldoende groot zijn om indien nodig zelf weer een nieuwe organisatie op te richten, heeft maincontracting de voorkeur.

Een variant die m.i. de voorkeur op langere termijn heeft is de regieorganisatie (variant 2).

Voorbeelden op dit moment zijn het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Delta Lloyd, Connexion, ABN-Amro, Bloemenveiling Aalsmeer, Rijkswaterstaat, Corus, Aegon, Facility Force. Maar er zijn er natuurlijk veel meer.